God wint straks de Amerikaanse verkiezingen
Dr. Paul Belien

Reformatorische Dagblad 21 oktober 2004

Moreel-culturele thema's helpen George Bush straks aan de overwinning. Ze drijven Europa en de VS ook steeds verder uit elkaar en zorgen ervoor dat Amerika in de toekomst steeds "rechtser" zal worden.


Er bestaat geen twijfel over dat indien de Europeanen de Amerikaanse president zouden mogen kiezen, John F. Kerry volgende maand tot 44ste president van de Verenigde Staten wordt gekozen. Omdat het echter niet de Europeanen zijn maar nog steeds de Amerikanen zelf die eigen president aanduiden, bestaat er al even weinig twijfel over dat George W. Bush nog vier jaar in het Witte Huis blijft.

Europese waarnemers vergissen zich vaak in de Amerikaanse politiek, niet zozeer omdat zij hun eigen dromen voor waar nemen, noch omdat (zoals Robert Kagan beweert) "Europeanen van Venus zijn en Amerikanen van Mars," maar omdat Europeanen maar niet kunnen begrijpen dat Amerika tegelijk de meest moderne en de minst geseculariseerde Westerse natie ter wereld is. De Amerikaanse theoloog Richard John Neuhaus noemde dit opvallende samengaan van modernisme en de afwezigheid van secularisering twintig jaar geleden het "Amerikaanse exceptionalisme." Voor velen lijkt dit samengaan een tegenstelling. Men verwacht doorgaans immers dat hoe moderner een samenleving wordt, hoe kleiner het belang is dat ze nog aan God hecht. Amerika vormt een uitzondering op die regel.

In het noordoostelijke en zuidwestelijke kustgebied - de twee regio's waar nagenoeg alle Europese correspondenten hun standplaats hebben - valt deze godsdienstigheid minder op. Dit zijn immers de meest geseculariseerde en daardoor meest op Europa lijkende streken van Amerika. Ze zijn echter niet representatief voor het "diepe Amerika," zoals elke bezoeker die verder reist dan enerzijds New York en Washington, en anderzijds Los Angeles of San Francisco, al vlug ontdekt. Het Amerikaanse hartland is "God's own country." Dit is het land waar men vindt dat, zoals de Vlaamse christendemocratische krant De Standaard onlangs met enige verbazing (en ook verontwaardiging) in vette letters kopte, "abortus erger is dan armoede."

Amerika is de enige nog diep-religieuze christelijke natie in de Westerse wereld. Blijkens een recent onderzoek gaat meer dan de helft (53%) van de Amerikanen 's zondags ter kerke. Het is een percentage waarbij de Europese zondagspraktijk verbleekt. België en Nederland tellen geen 15% kerkgangers meer. Bijna driekwart van de Amerikanen bidt regelmatig, vergeleken met geen kwart bij ons. En terwijl de Europese Unie in zijn ontwerp van Grondwet geen verwijzing naar God wil opnemen, zegt liefst 70% van de Amerikanen bereid te zijn om ter verdediging van God en geloof zijn leven te willen geven.

Europese anomalie

Vandaag spreekt Richard John Neuhaus niet langer van het Amerikaanse exceptionalisme, maar van het "Europese exceptionalisme." Hij is tot de conclusie gekomen dat niet Amerika, maar Europa de anomalie is. Neuhaus is niet de eerste de beste. Hij is een voormalige lutheraanse dominee die zich in 1991 tot het katholicisme bekeerde en die tot de neo-conservatieve intellectuele elite behoort. Rightweb.irc-online.org (een webstek die het neo-conservatieve "netwerk" blootlegt) beschouwt Neuhaus als de leidinggevende neo-conservatieve denker inzake culturele thema's. Ook het weekblad US News and World Report noemt hem een van de meest invloedrijke hedendaagse Amerikaanse intellectuelen.

Wat we vandaag overal ter wereld vaststellen, zegt Neuhaus, is een desecularisatie van de samenleving. Met uitzondering van Europa, neemt wereldwijd de invloed van de godsdienst toe. Het globalisme en de moderne communicatiemiddelen versterken de impact van de religie eerder dan dat ze die doen afnemen. Neuhaus verwijst o.a. naar de opmars van de islam. Die rukt overigens ook in Europa op en vult daar het religieuze vacuüm op dat het christendom er heeft gelaten. Neuhaus' stellingen sluiten aan bij die van Samuel Huntington volgens wie de hedendaagse wereld op een botsing der beschavingen afstevent. Neuhaus beklemtoont echter onophoudelijk dat in het hart van elke cultuur een godsdienst staat, waardoor de botsing der beschavingen wezenlijk een botsing tussen religies is.

In Europa willen politici de mogelijkheid dat het conflict in het Midden-Oosten ten diepste een godsdienstoorlog is tussen enerzijds het joods-christelijke kamp en anderzijds de islam niet graag onder ogen zien. Wanneer echter een leidinggevende stem uit de neo-conservatieve middens die de buitenlandse politiek van de VS de voorbije maanden diepgaand beïnvloedden, het in dergelijke termen stelt, moet men het belang daarvan nochtans durven erkennen. Een groot deel van de Arabische wereld zelf heeft het conflict met het Westen trouwens ook nooit anders gezien dan als een godsdienstige strijd.

Christelijke soldaten

Het is even opvallend dat George Bush en Tony Blair, de twee Westerse leiders die vandaag oorlog voeren in Irak, beiden diepgelovig zijn en vanuit die overtuiging aan politiek doen. Hoewel de twee leiders niet expliciet toegeven dat ze een godsdienstoorlog voeren, kan men hun religieuze bewogenheid niet ontkennen. Harvard-historicus Niall Ferguson, de auteur van recente boeken over respectievelijk het Britse en het Amerikaanse imperium, noemt Bush en Blair in The Spectator van 25 september twee "perfecte partners - christelijke soldaten gewapend met bijbels en bazookas." Hij wijst er evenwel op dat Blair een atypische Brit is die het moeilijk heeft om de Irakese oorlog aan zijn bevolking verkocht te krijgen. Dat valt hem juist zo moeilijk omdat Groot-Brittannië en de Verenigde Staten vandaag zo'n wezenlijk verschillende naties zijn. Op een ogenblik dat Bush in de Amerikaanse peilingen 10% voor lag op Kerry, steunden amper 16% van de Britten Bush, tegen 47% Kerry.

"Groot-Brittannië heeft meer gemeenschappelijk met Europa dan met de VS," aldus Ferguson. Ook hij benadrukt het grote cultuurverschil tussen beide Angelsaksische naties: de diepe godsdienstigheid van de Amerikanen en de geseculariseerde mentaliteit van de hedendaagse Britten, die uitgerekend daardoor bewijzen meer met de Europeanen gemeen te hebben dan met de Amerikanen. Ferguson ziet in het bondgenootschap tussen Bush en Blair geen bevestiging van de oude Brits-Amerikaanse vriendschapsband (die volgens hem overigens nooit bestaan heeft), maar een historische toevalligheid die het gevolg is van de on-Britse religieuze bewogenheid van Tony Blair.

In feite is Blair méér een Amerikaan dan een Europeaan. Daarom kan hij het volgens Ferguson zo goed vinden met Bush, net zoals hij het in het verleden goed kon vinden met Bill Clinton, hoewel die zo verschilde van Bush, "want nagenoeg het enige wat Bill Clinton en George Bush gemeen hebben is hun christendom." John Kerry daarentegen is als vertegenwoordiger van het Amerikaanse Oostkust-establishment een atypische Amerikaan - méér een Europeaan dan een Amerikaan. Daarom maakt hij weinig kans bij een kiespubliek dat "abortus erger vindt dan armoede," zelfs wanneer het zelf arm is.

Het is inderdaad opvallend dat de armste staten in de VS de voorbije decennia steeds overweldigender Republikeins gingen stemmen en steeds minder Democratisch. Dat lijkt een sociaal-economische paradox die alleen verklaarbaar is wanneer men aanvaardt dat de cultureel-religieuze breuklijn voor de Amerikaanse kiezers alsmaar belangrijker werd dan de sociaal-economische. Deze verschuiving werd met andere woorden niet in de eerste plaats veroorzaakt doordat het kiespubliek sociaal-economisch "rechtser" werd, maar doordat de Democratische Partij cultureel-religieus "linkser" werd.

Demografische indicator

Een bijkomende en veelzeggende moreel-culturele indicator betreft de demografische evolutie. De Verenigde Staten zijn de enige Westerse natie die de komende vier decennia hun bevolking nog zullen zien toenemen. Terwijl Europa naar verwachting tegen 2050 honderd miljoen inwoners zal verliezen, zal de bevolking van de VS met honderd miljoen stijgen. Dit heeft niet alleen met immigratie te maken, maar ook met het feit dat de Amerikaanse vrouwen nog steeds voldoende kinderen krijgen om in de vervanging van de generaties te voorzien, terwijl dat in West-Europa niet langer het geval is. Sociologen wezen er al lang op dat naarmate de godsdienstigheid daalt, ook het aantal kinderen afneemt. "Conservatieve, religieuze Amerikanen investeren veel meer genen in de toekomst dan hun liberale, seculiere landgenoten," schreef de demograaf Phillip Longman op 2 september in The Washington Post. Bijna de helft (47%) van de Amerikaanse kerkgangers verklaren dat hun ideale gezin uit drie of meer kinderen bestaat, terwijl slechts 27% van de niet-kerksen een dergelijk kindertal wenst.

Dit heeft politieke consequenties, aldus het artikel in The Washington Post. Het geboortecijfer ligt in de VS het hoogst in staten die Republikeins stemmen. Het gemiddelde aantal geboorten per vrouw bedraagt 1,89 in staten die in 2000 voor de Democraat Al Gore stemden, en 2,11 in staten die vier jaar geleden voor de Republikein George Bush kozen. Op één na stemden de tien meest vruchtbare staten allemaal Republikeins. Vrouwen in Republikeinse staten hebben gemiddeld 12% meer kinderen dan vrouwen in Democratische staten. Bovendien daalde tussen 1990 en 2002 het aantal kinderen in de Democratische staten (bijvoorbeeld met 13% in Kerry's thuisstaat Massachusetts), terwijl het geboortecijfer gevoelig toenam in veertien staten waarvan er in 2000 dertien Republikeins stemden.

Door geen kinderen te wensen, concludeert Longman, zal seculier Amerika in de toekomst politiek nog aan belang verliezen. "Uiteraard zullen sommige kinderen die in fundamentalistische gezinnen opgroeien ongelovig worden, en vice versa. Maar de meeste mensen, zeker wanneer ze kinderen hebben, behouden grotendeels dezelfde religieuze en politieke oriëntatie als hun ouders."

Ijzeren logica

Dit alles verklaart waarom John Kerry straks weinig kans maakt en de Republikeinse Partij de Amerikaanse politiek de komende decennia zal domineren. Om zich politiek staande te houden, moet Kerry vandaag het conservatieve Amerika overigens reeds naar de mond praten. Zo kan je hem over abortus horen zeggen dat hij "persoonlijk" weliswaar gelooft dat het leven bij de conceptie begint, maar dat hij als Democraat niet vindt dat hij zijn persoonlijk geloof aan anderen mag opleggen. Geen enkele linkse Europese politicus, tenzij hij een christendemocraat zou zijn die eveneens met een gedeeltelijk evangelische of integristische achterban moet rekening houden, moet zich op dezelfde manier in bochten wringen.

Abortus is, tot verbazing van Europese waarnemers, steeds een belangrijk thema in Amerikaanse verkiezingen. De Amerikanen houden er echter met hun hardnekkige weigering om het abortusdebat als gesloten te beschouwen, principes op na die zij beter aangepast achten aan de toekomstige uitdagingen dan die van het seculiere Europa. Zonder kinderen zal er in Europa naast een religieus vacuüm immers ook een demografisch vacuüm ontstaan dat evenzeer door de islam zal worden opgevuld. Amerika mag dan al religieus gedreven zijn - en daarom in de ogen van Europa welhaast "achterlijk" lijken - het houdt er een ijzeren logica op na die een meer rationele kijk op de hedendaagse wereld biedt dan de Europese rationalisten die zichzelf prijzen omdat zij atheïsten zijn en daardoor de fout maken te denken dat God in de wereld geen rol meer speelt. God is dood in Europa, maar Europa is, zoals Richard John Neuhaus stelt, de anomalie. Dat zal op 2 november opnieuw duidelijk worden wanneer George W. Bush wordt herkozen.

Mr. dr. Paul Belien is jurist en doctor in internationale studies. Hij is oprichter van de Brusselse paneuropese conservatief-liberale denktank Centre for the New Europe (CNE) en publiceert in diverse Angelsaksische conservatieve bladen, waaronder The Wall Street Journal, The American Conservative en The Spectator.

Leeuw